Dakwoorden, definities en begrippen

Selecteer een letter:
A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z |

Gevonden woorden:

‘Baarhuisje’: lijkenhuisje, ruimte op een begraafplaats of kerkhof waar de overledene werd opgebaard.

‘Bakgoot’: goot bestaande uit een bodem met twee opstaande randen: de doorsnedevorm is een rechthoekige U. Vaak gemaakt van zink, hout of beton.

‘Balkanker’: verbindt (houten) balken met de constructieve (stenen) muur. Naast dat de balk de vloer draagt, verstevigt hij via de verankering ook de constructie.

‘Balkenvloer’: er zijn verschillende typen balkenvloeren: • écht balkenrooster: de balken hebben in beide richtingen een gelijk formaat en zijn even sterk. • moer- en kinderbalken: bij dit balkenrooster zijn de afmetingen en sterkte van de balken in beide richtingen niet hetzelfde. • balken in één richting: de belastingen van de vloer worden overgedragen aan balken in één richting die zijn opgelegd op liggers of muren.

‘Ballastlaag’: samenspel van één of meer materialen, aangebracht op het dakbedekkingssysteem. Deze laag kan dienen als ballast tegen opwaaien en een bijkomende andere functie hebben zoals bescherming van de waterdichte laag tegen veroudering of esthetische en/of beloopbare afwerking.

‘Balustrade’: afzetting van balkon, terras, galerij, trap, venster of brug. Biedt bescherming tegen vallen. In het Bouwbesluit zijn eisen opgenomen waaraan een balustrade moet voldoen, bijvoorbeeld ten aanzien van opklimbaarheid, maximale grootte van de openingen en minimale hoogte.

‘BDA Praktijkblad Daken (BPD)’: dit waren technische informatiebladen van dakbedekkingsproducten en -systemen die volgens een zelfde structuur waren opgebouwd. Er waren BDA Praktijkbladen inzake ontwerp, uitvoering, detailprincipes en beheer. Kiwa-BDA heeft alle BDA Praktijkbladen per 31 december 2014 laten vervallen. Er is een nieuw document voor in de plaats gekomen het BDA Agrément®, dat echter niet naadloos past op veel praktijkbladen

‘Bebouwde omgeving’: aanduiding van de aard van het omliggende terrein in een sector, waarvan sprake is indien de ruwheidslengte in die sector groter is of gelijk aan 0,7 meter.

‘Bedding’: onderlaag van de deklaag in een dakbestrating, ook wel genoemd infiltratielaag, straatbed of straatlaag, tevens voor de compensatie van maattoleranties van bijvoorbeeld straatstenen, tegels, tegels van prefab betonelementen en de onderliggende dragende laag. De bedding brengt daarop uitgeoefende krachten over naar de dragende laag.

‘Bedrijfsvocht’: dit type vocht doet zich voor bij bijzondere bedrijfsuitvoeringen waarbij sprake is van een hoge vochtproductie, bijvoorbeeld wasserijen, zwembaden, papierfabrieken en dergelijke.

‘Begroeide daken’: dit is de verzamelnaam voor vegetatiedaken en tuindaken. Een begroeid dak is altijd voorzien van een substraatlaag, waarop vegetatie groeit.

‘Belastingfactor’: partiële factor waarmee de representatieve waarde van een belasting moet worden vermenigvuldigd om de rekenwaarde van die belasting te verkrijgen.

‘Belastingsgeval’: algemene benaming om onderscheid tussen belastingen en soorten aan te geven, bijvoorbeeld het belastingsgeval ‘eigen gewicht’ of ‘wind’. Grootte en richting spelen hierbij geen rol.

‘BENG’: Bijna EnergieNeutraal Gebouw

‘Beschermfolie’: extra bescherming van een dakbedekkingsconstructie, die echter geen vervanging is van een beschermlaag. Een beschermfolie geldt niet als waterdichte laag.

‘Beschermingslaag’: deze laag is de laag die op de waterdichte dakbedekkingsconstructie wordt aangebracht om deze te beschermen tegen mechanische beschadigingen en bestaat meestal uit vezelrubbermatten. Er zijn ook rubberen noppenmatten, die een dubbele functie hebben en ook als drainagelaag dienst doen.

‘Beschieting’: ook beschot, betimmering van planken.

‘Betoncorrosie’: roesten van het wapeningsstaal of de voorspanning in beton.

‘Bijkomende doorbuiging’: het deel van de totale doorbuiging, dat de bouwconstructie (of het dragend bouwconstructie-onderdeel) ondergaat in of na de gebruiksfase.

‘Binddraad’: een 1 mm dikke rvs-draad om de gaarde/spandraad van een rieten dak te bevestigen aan de onderconstructie. Gegalvaniseerd ijzerdraad of koperdraad wordt niet meer gebruikt. Veertig jaar geleden werden hiervoor nog wilgentenen of geteerd touw gebruikt.

‘Binnenluchttemperatuur’: de temperatuur die overeenkomt met de gemiddelde etmaaltemperatuur van de binnenlucht, zoals moet worden gemeten op anderhalve meter boven het vloeroppervlak.

‘Biobased materialen’: materialen afkomstig uit de levende natuur en materialen die opnieuw kunnen groeien en worden geoogst binnen de gebruiksduur van een gebouw of hun toepassing.

‘BIPV’: Building Integrated Photovoltaics. Bij BIPV vormen de PV-elementen een waterkerend of gesloten dakbedekkingssysteem.

‘BIPV(T)’: Building Integrated Photovoltaics (Thermisch). Bij BIPV vormen de PV-elementen een waterkerend of gesloten dakbedekkingssysteem, dat de zonne-energie beter benut: stroom en warmte.

‘Bitumen’: buitengewoon viskeuze vloeistof en /of vaste stof, hoofdzakelijk bestaande uit koolwaterstoffen of hun derivaten, deze is vrijwel geheel oplosbaar in zwavelkoolstof.

‘Bitumen latex dakbedekking’: een vloeibaar aan te brengen dakbedekkingssysteem op basis van bitumen latexemulsie. Meestal gecombineerd met een eerste laag van SBS-gemodificeerde gebitumineerde polyestermat.

‘Bitumenlei’: gewapende rechthoekige (bitumen) strook in diverse afmetingen. De lengte is over het algemeen 1.000 mm en de breedte 336 mm. De bitumenlei is aan de onderzijde voorzien van inkepingen (poortjes), waardoor aparte vlakken (tabs) ontstaan. De hoogte van deze tabs is variabel (circa 150 mm). De tabs zijn de delen die in het zicht komen.

‘Blijvende vervorming’: verandering van vorm en/of afmetingen, die ontstaat door belasting en die niet herstelt nadat de belasting is weggenomen.

‘Blokgoot’: (dak)goot verkregen door uit een massief materiaal een sleuf weg te halen.

‘Blower door test’: methode om de luchtdichtheid van gebouwen te meten door een gedeelte van een gebouw onder een overdruk en eventueel onderdruk van 50 Pascal te zetten.

‘Boeiboord’: een houten plank ter afwerking van een dakrand of dakgoot. Tegenwoordig worden ook andere materialen gebruikt.

‘Bouwconstructie’: constructie van een bouwwerk of onderdeel van de constructie bedoeld om de beoogde belastingen te kunnen dragen.

‘Bouwdeel’: een bouwdeel is ieder te onderscheiden deel van een gebouw met specifieke eigenschappen waarmee aan een gestelde prestatie-eis invulling kan worden gegeven.

‘Bouwfysica’: die onderdelen van de natuurkunde die bij het bouwen van groot belang zijn om een duurzaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Dit betreft warmte, vocht en ventilatie, maar ook licht en akoestiek.

‘Bouwkundig kader’: dragend deel van de (uitwendige scheidings)constructie dat een aanslag vormt, geschikt voor de bevestiging van een zelfdragend bouwdeel.

‘Bouwkundige constructie’: dragende constructie (als onderdeel van het bouwkundig geraamte van een bouwwerk) waarlangs de optredende krachten doeltreffend naar de fundering worden afgeleid.

‘Bouwvocht’: vocht dat tijdens het bouwproces in het gebouw terechtkomt door neerslag of aanmaakwater voor beton, mortels en dergelijke. Bouwvocht kan alleen door droging verdwijnen. Droging naar buiten, via de dakbedekking is vrijwel onmogelijk. Droging naar binnen kan alleen maar tijdens de zomerperiode plaatsvinden.

‘Bovenpan’: speciale dakpan om de nokvorst af te sluiten. Deze pan is aan de bovenzijde vlak afgewerkt.

‘BR’: afkorting van de kunststof butadieen rubber.

‘Brandbestrijding’: maatregelen, die worden genomen na het ontdekken van een brand, ter voorkoming van en beperking van ongevallen, ter beperking van de schade in een aan de omgeving van het in brand staande object en ter onderdrukking van de brand.

‘Brandbestrijdingsplan’: verzameling van alle gegevens over de maatregelen en voorzieningen om brand en de gevolgen van brand in een bedrijf of instelling zo gering mogelijk te houden.

‘Brandbeveilingsplan’: verzameling van alle gegevens over brandrisico’s in een bedrijf of instelling en over de maatregelen en voorzieningen die aanwezig zijn om die risico’s zo gering mogelijk te houden.

‘Brandbeveilingsverordening’: gemeentelijke verordening voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en alles wat daarmee verband houdt.

‘Brandcompartiment’: besloten gedeelte van het gebouw, bestemd als maximaal uitbreidingsgebied voor brand.

‘Branddoorslag’: de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte anders dan via de buitenlucht.

‘Brandgevaarlijk dak’: een dak is brandgevaarlijk als het niet voldoet aan een in NEN 6063 beschreven bepaling (vliegvuurproef).

‘Brandgevaarlijke details’: dakdetails waar in het geval van het gebruik van open vuur de mogelijkheid bestaat tot het ontstaan en het zich uitbreiden van brand.

‘Brandhaard’: plaats waar een brand is ontstaan, het felst woedt en vanwaar het vuur zich verspreidt.

‘Brandklasse’: Nederlandse klassering van materialen naar brandbaarheid lopend van 1 t/m 5. Een materiaal in klasse 1 is het best bestand tegen brandvorming (zie ook Euroklasse). Ook: een groep van gelijksoortige branden, geordend naar de aard van de brandende stoffen.

‘Brandoverslag’: de uitbreiding van brand van een ruimte naar een andere ruimte uitsluitend via de buitenlucht.

‘Brandpreventie’: de vooraf genomen maatregelen ter voorkoming van brand, ter voorkoming en beperking van ongevallen bij brand, ter beperking van de schade in en aan de omgeving van een object bij brand en ter bestrijding van brand.

‘Brandrol’: een gewapende bitumen dakbaan met een extra laag bitumen aan de onderzijde van de baan (MEC = met extra coating) welke door directe verhitting met een open gasvlam zodanig verweekt, dat een goede aanhechting met de ondergrond mogelijk is.

‘Brandveiligheid’: brandveiligheid wordt bepaald door de mate waarin het gevaar voor het ontstaan en uitbreiden van brand en de schadelijke gevolgen (persoonlijke ongevallen) daarvan worden voorkomen dan wel beperkt.

‘Brandveiligheidsonderzoek’: onderzoek van een object naar de risico’s met betrekking tot het uitbreken en de gevolgen van brand.

‘Brandvoortplanting’: het zich uitbreiden van de brand in de ruimte of plaats waar brand aanwezig is.

‘Brandwerende bekleding’: bekleding waarmee de brandwerendheid van een bouwconstructie kan worden vergroot.

‘Brandwerendheid’: de eigenschap van een bouwconstructie om gedurende een bepaalde tijd zonder functieverlies weerstand te kunnen bieden aan verhitting volgens een gestandaardiseerde proef.

‘BRBS’: branchevereniging recycling, breken en sorteren.

‘Breeuw’: de breeuw is het opgaand overstek (schuine zijkant) van een rieten dak.

‘BRL’: een BRL is een nationale beoordelingsrichtlijn op basis waarvan KOMO kwaliteitsverklaringen in de bouw worden afgegeven.

‘Broekstuk’: afwerking die wordt toegepast bij het ontmoetingspunt van de nok met de hoekkepers.

‘BRU’: bitumen recycling unit.

‘Bruikbaarheidsgrenstoestand’: onder invloed van permanente of veranderlijke belastingen, zoals eigen gewicht, windbelasting, punt- of lijnbelastingen, zullen bouwconstructies doorbuigen. Tot een bepaalde grens is dit toelaatbaar. In het Bouwbesluit worden voor daken echter geen eisen gesteld aan de bruikbaarheidsgrenstoestand.